Voorouderlijk Dieet - Apen en mensapen kunnen niet meer zelf vitamine C produceren. De meeste apen eten voornamelijk fruit dat rijk aan vitamine C is. De meeste fruitsoorten zijn echter seizoensgebonden en missen proteïnen en andere voedingsstoffen. Dit betekent dat primaten hun proteïnen binnen moeten krijgen door het eten van ander plantaardig voedsel of dierlijk voedsel zoals insecten, vlees, vis of schelpdieren. Aangezien veel dierlijk voedsel weinig of geen vitamine C bevat waren zij waarschijnlijk slechts een gedeelte van het voorouderlijke dieet.
Marcus Fernandes, van het Emilio Goeldi Museum in Brazilië, beschrijft hoe kapucijneraapjes die vandaag de dag in de mangrovegebieden leven hun dieet van fruitsoorten aanvullen met oesters. Deze oesters zitten vast aan de stammen van de mangroves en zijn alleen bij eb toegankelijk. Een handige fruitetende voorouder die in de mangrovebossen leefde, zou best wel eens schelpdieren kunnen hebben gegeten als welkome aanvulling op zijn dieet. Wij begonnen het dus denkbaar te vinden dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van chimpansees, gorilla's en de mens van tijd tot tijd door het water waadde en schelpdieren at.
Zeker niet onbelangrijk is het feit dat Michael Crawford, Stephen
Cunnane, Lee Broadhurst en anderen verbonden aan het Instituut voor
Hersenchemie en Menselijke Voeding (Institute of Brain Chemistry and
Human Nutrition) van de universiteit van Noord-Londen hebben aangetoond
dat de verhoudingen tussen lange meervoudig-onverzadigde lipideketens,
van tropische vissen en schelpdieren, meer op die van zoogdierhersenen
lijken dan welke andere bekende voedselbron dan ook. Dus als onze
voorouders toegang hadden tot dit calorie- en voedselrijke dieet, zou
het hun geholpen kunnen hebben bij het ontwikkelen en voeden van nog
krachtigere hersenen.
Onderzoek naar Tandglazuur - In de tachtiger jaren heeft Laurence Martin van het University College in Londen een mechanisme voorgesteld dat de variaties in de dikte van het glazuur bij zoogdieren, vooral ook primaten, kon verklaren. Zijn vergelijkende onderzoek naar de formatie van glazuur op de tanden van apen en van de mens suggereerde dat op de tanden van de meeste vroege hominiden een dikke laag glazuur zat. De gevonden fossiele tanden laten dit ook zien. Dik glazuur komt voor bij de meeste van onze uitgestorven verwanten, zoals bijvoorbeeld bij de voorouder van de pongiden en hominiden. Deze eigenschap komt zowel voor bij de mensapen die voor de splitsing van chimpansees en de mens leefden ( Siva-, Ourano- en Ankarapithecus hebben het bijvoorbeeld, maar Dryopithecus niet) als na de splitsing (de australopitheken wel, Ardipithecus niet). Vandaag de dag hebben wij mensen samen met de orang-oetans nog steeds relatief veel glazuur op onze tanden.
In levende zoogdieren komt dik glazuur vooral voor bij soorten die hard voedsel eten zoals noten of weekdieren met een harde schelp. Ook kapucijneraapjes en zeeotters hebben dik glazuur. Wat Alan Walker schrijft is erg interessant: "Als je een deskundige op het gebied van zoogdieren, die niets weet van hominiden, vraagt welke kiezen het meest op die van de Australopithecinae lijken, zou hij naar alle waarschijnlijkheid antwoorden: Die van de zeeotter (Enhydra lutris). Dit dier heeft kleine snij- en hoektanden en grote platte kiezen met dik glazuur." Hij voegt er aan toe dat bij zeeotters het dikke glazuur wellicht niet is voor het openkraken van de schaal maar voor eventuele harde stukjes binnenin die het gebit zouden kunnen beschadigen.
Iedereen die de fossiele tanden van hominiden bestudeert is het er mee eens dat zulke brede kiezen met dik glazuur en geronde toppen dienen om hard voedsel te eten. Maar bij de Afrikaanse mensapen kunnen enkele van deze eigenschappen door evolutie zijn teruggedraaid. Dit helpt ons te verklaren waarom de gorilla's, die voornamelijk planten eten, en zelfs de voornamelijk fruitetende chimpansees een grotere reductie in de dikte hun glazuur laten zien dan de orang-oetans, die meer harde noten eten.
Zon tien jaar terug, werd door Pierre-Francois Puech en zijn
medewerkers met behulp van een elektronenmicroscoop aangetoond dat de
kiezen van vroege australopitheken veel slijtage van het glazuur
vertoonden. Zo hadden sommige kiezen een gepolijst oppervlak, ze
glansden. Dit polijsten lijkt op wat we zien op de tanden van de
stompstaarteekhoorns. Ook sommige knaagdieren hebben deze eigenschap.
Neem bijvoorbeeld het waterzwijn (capybara), het dieet van dit knaagdier
bestaat voornamelijk uit moerasplanten.
Waterland als leefomgeving - Puech werd in eerste instantie zeer verast door de resultaten van zijn onderzoek omdat in die tijd men dacht dat de menselijke voorouders op de savanne leefden. De laatste paar jaren is er steeds meer bewijs voor de stelling dat de meeste, zoniet alle, voorouders in een "natte", in plaats van een "droge", omgeving leefden.
Een voorbeeld: In 1992 schreven Radosevich en zijn medewerkers een artikel over de Australopithecus afarensis fossielen van Hadar, Ethiopië. Zij schreven: "De botten zijn gevonden in een moerassig gebied het is zeer waarschijnlijk dat zij op die plek, of in ieder geval in de buurt daarvan, zijn gestorven en gedeeltelijk weg gerot deze groep hominiden lag begraven aan de waterkant in een bebost gebied."
In ongeveer dezelfde toonzetting, schreven Rayner en zijn medewerkers in 1993 dat de Australopithecus africanus fossielen van Makapansgat in Zuid-Afrika werden gevonden in " een heel andere omgeving dan vandaag de dag op die plaats te vinden is. Meer regenval, een vruchtbare alkaliachtige grond en een zeker reliëf creëerden stukken regenwoud en dichte rimboe in plaats van de savanne die daar nu is in plaats van grasland of een omgeving met lichte begroeiing hadden de hominiden een voorkeur voor subtropische bossen, de aanpassingen die deze dieren ondergingen zijn dan ook gericht op het leven in een bosrijke omgeving."
Sinds die tijd hebben andere reconstructies van de omgeving miljoenen jaren geleden bevestigd dat de vroege australopitheken vaak in moerassige bosgebieden leefden of langs de waterkant in bossen. In deze omgeving zouden ze dan best wel eens door het water kunnen hebben waden, op zoek naar waterplanten en bepaalde weekdieren. Wij denken de tweebenige bouw van australopitheken suggereert dat veel, zoniet al die dieren veel van hun tijd door de ondiepe moerassen, in subtropische bossen waadden.
De westelijke laagland gorilla's waden vandaag de dag nog steeds in
een vergelijkbare omgeving, op zoek naar zegge, een zetmeelrijke
grassoort, en andere proteïnerijke planten. De chimpansees en gorilla's
van vandaag laten weinig sporen van tweebenigheid zien. Andere kenmerken
zoals het veelvuldig gebruiken van gereedschappen, behendige handen,
grotere hersenen en dik glazuur kunnen ook geleidelijk verminderd of
zelfs verdwenen zijn. Misschien gebeurde dit omdat hun voorouders vrij
vroeg al weer ophielden met het waden door water, op zoek naar voedsel.
Wij kunnen het terugdraaien van sommige van deze kenmerken zien als een
haarspeldbocht rechtsomkeer naar de voorouderlijke levensstijlen van
andere primaten.
Ontbrekende Schakels - Zowel de gegevens die wij hebben over het voorouderlijke DNA als de verzameling van fossiele overblijfselen die we van onze voorouders hebben zijn incompleet. Alle gegevens die wij hebben suggereren echter dat een aantal hominiden in de periode tussen acht en zes miljoen jaar geleden, in Afrika gingen wonen. Vervolgens verspreiden zij zich, waarbij zij zich opsplitsten in verschillende takken, waaronder de australopitheken, de Afrikaanse apen, onze menselijke voorouders en misschien zelfs wel andere takken die sindsdien zijn uitgestorven. De onderlinge banden tussen al deze verschillende takken blijven erg onduidelijk
Geologen vertellen ons dat het proces van fossilisatie vooral in mangrovebossen erg moeizaam verloopt. De getijden in dergelijke bossen kunnen botten over een groot gebied verspreiden. De hoge zuurtegraad in mangrovebossen zorgt er voor dat de overblijfselen van dode dieren erg snel oplossen. Daarnaast is de bodem in een mangrovebos plat, waardoor de kans dat een dood dier door een aardverschuiving bedolven wordt erg klein is. Dit alles betekent dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de hominiden die in de mangroves leefden overblijfselen zouden achterlaten die wetenschappers later zouden ontdekken. Anderzijds is het waarschijnlijker dat de binnenlandse hominiden die nabij lagunes, in delta's en rivieren leefden overblijfselen hebben achtergelaten. De meeste paleoantropologen accepteren tegenwoordig de stelling van wijlen Colin Patterson, dat van de directe voorouders van sommige nu levende dierensoorten de fossiele overblijfselen nooit gevonden zullen worden. Het is dus best mogelijk dat de meeste, of zelfs alle, fossiele Australopithecus- en Homo-soorten die tot nu toe gevonden zijn vroegere of latere zijtakken zijn van de afstammingslijnen die nu naar de levende hominiden leiden.
Het was voor een deel de waarschijnlijkheid dat er grote hiaten
zitten in de verzameling fossielen die tot nu toe gevonden is, die ons
er van weerhield dit als enige basis te gebruiken voor het opstellen van
een betrouwbare evolutionaire tijdlijn voor de hominiden. Wij begonnen
een systematische methodologie te gebruiken om alle aanwezige en
geloofwaardige gegevens te vergelijken. Hoewel de totaliteit van alle
gegevens nog erg incompleet is en vol met hiaten, is een voorzichtig
vertrouwen in de scenario's, die het vergelijken en controleren van
gegevens ons opleveren, zeker niet onterecht.
Migratiepatronen - Al is er nog onvolledige zekerheid over de betrouwbaarheid van de DNA-gegevens, suggereren zij dat, zoals gezegd, een aantal hominiden voor de periode van acht tot zes miljoen jaar geleden Afrika in trokken. Het suggereert ook dat in die periode de gorillatak zich van de mens/chimp-tak afsplitste. Door het DNA en de geografische gegevens te vergelijken kunnen wij zeggen dat die splitsing zich waarschijnlijk afspeelde nadat onze voorouders Afrika in gingen. Wij kunnen dan speculeren dat terwijl de mens/chimp-tak dicht bij de kustlijn bleef, de gorillatak de binnenlanden in trok. Waarschijnlijk volgden zij de rivieren en koloniseerden zij de Afrikaanse binnenlanden. De mensapen die de binnenlanden introkken evolueerden dus waarschijnlijk tot de gorilla's die wij vandaag kennen. Zoals gezegd aten deze apen dus waarschijnlijk een combinatie van oever- en waterplanten. Hoe verder zij de binnenlanden in trokken, hoe minder waterplanten zij aten. Recente studies tonen aan dat het dieet van sommige groepen laaglandgorilla's nu voor minder dan twee procent uit waterplanten bestaat.
Een of twee miljoen jaar nadat de voorouders van de gorilla's de binnenlanden introkken, ging ook de chimpanseetak die kant op. Kennelijk ontwikkelden zij min of meer dezelfde kenmerken terwijl zij toch een ander dieet hebben, namelijk fruit, en meer tijd in de bomen doorbrengen.
Het lijkt waarschijnlijk dat veel van de hominide takken die de
binnenlanden introkken parallel evolueerden. Hoe verder zij de rivier
stroomopwaarts volgden hoe schaarser de schelpdieren werden. Het
gedeelte van hun dieet dat uit schelpdieren bestond werd dus stilaan
vervangen door ander plantaardig en dierlijk voedsel. Ze gingen dus
waarschijnlijk meer en meer over op een dieet dat alleen maar uit
planten bestond en ze brachten minder en minder tijd door in het water.
De voorouders van de gorilla's gingen meer op de grond leven dan die van
de chimpansees.
Volgende pagina: Vergelijkend Werktuiggebruik



