“Het verhaal van het uitsterven van de Neanderthalers is één van de meest intrigerende in het verhaal van de evolutie van de mens”, vindt de auteur van het onderzoek, Simon Underdown. “Waarom verdween deze intelligente en grote hersenen bezittende menssoort, die zo veel eigenschappen met ons deelde”.
Om die vraag te beantwoorden bestudeerde Underdown, die onderwijst aan het Antropologie departement van de Oxford Brookes universiteit, een goed gedocumenteerde stam, de Fore van Nieuw Guinea, die ritueel kannibalisme praktiseren.
Mogelijk bewijs voor kannibalisme bij Neanderthalers werd in 1999 gevonden in een Franse grot. De 100.000 tot 120.000 jaar oude beenderen die in de Moula-Guercy grot bij de west over van de Rhone werden gevonden indiceren dat een groep Neanderthalers de botten van tenminste 6 anderen van vlees ontdeden en daarna met stenenwerktuigen kapotsloegen om bij het merg en de hersenen te komen.
Hoewel het niet duidelijk is waarom de Neanderthalers elkaar aten, toonde onderzoek naar de Fore aan vroeger lichamen in stukken werden gehakt en dat menselijk vlees als een waardevolle voedselbron werd gezien.
Aan het begin van de 20ste eeuw begonnen antropologen een ziekte te beschrijven die door de Fore Kuru werd genoemd. In de jaren ’60 nam Kuru epidemische vormen aan en doodde meer dan 1.100 mensen. In het daaropvolgende onderzoek bleek dat Kuru een vorm van overdraagbare spongiforme encefalopathie, of OSE was. Dit is klasse ziekten waar ook de gekkekoeienziekte (Boviene spongiforme encefalopathie) en de Creutzfeld-Jakob ziekte toe behoren. Underdown denkt dat deze OSE ziekten al miljoenen jaren bestaan.
Volgens zijn nieuwe onderzoek, dat werd gepubliceerd in het
wetenschappelijke tijdschrift Medical Hypotheses, veroorzaken
OSE’s bij het ontwikkelen van de ziekte kleine gaatjes in de
hersenen waardoor deze er sponsachtig uit gaan zien. In een
latere fase veroorzaakt de ziekte zware mentale achteruitgang,
verlies van spraak en motoriek.
Underdown maakte een model van de Kuru bevindingen om zo
erachter te komen hoe de verspreiding van zo’n ziekte door
kannibalisme de bevolkingsomvang zou kunnen beïnvloeden. Hij
berekende dat in een hypothetische groep van 15.000 individuen,
een dergelijke ziekte de populatie zou kunnen doen afnemen tot
een niveau dat niet meer levensvatbaar is, in slechts 250 jaar.
Als je dit optelt bij de al aanwezige druk van andere omgevingsfactoren, zou deze ziekte de Neanderthalers hebben uitgeroeid denkt Underdown.
“OSE’s zouden de populatie hebben uitgedund, waardoor hun aantallen terugliepen en zo in combinatie met andere factoren (zoals klimaatsverandering en de opkomst van de moderne mens) hebben bijgedragen aan hun uitsterven”, aldus Underdown.
Dergelijke ziekten hebben een zeer lange incubatietijd, weet Underdown. Besmette individuen hadden daardoor lange tijd geen last van de symptomen. Dat geldt ook voor mensen die OSE-slachtoffers aten, zij zouden niet meteen na consumptie tekenen vertonen van de ziekte.
“Het is onwaarschijnlijk dat de Neanderthalers een verband hebben gezien tussen kannibalisme en OSE-symptomen”, zei hij.
Moderne klinische tests hebben aangetoond dat medische instrumenten infecterende prionen bij zich kunnen dragen, zelfs nadat ze zijn gesteriliseerd. Het is dus mogelijk dat gedeeld gebruik van stenen werktuigen de ziekte kan hebben doen verspreiden. Zo werden mogelijk ook Neanderthalers besmet die niet aan kannibalisme deden.
Nick Barton, directeur van het archeologie instituut van de universiteit van Oxford, vindt het werk van Underdown een “zeer origineel en interessant onderzoek”.
“De meeste wetenschappers denken nu dat de ondergang van de Neanderthalers niet aan één enkele oorzaak te wijten is,” zei Barton. “Echter, als uit genetisch onderzoek blijkt dat de Neanderthalers vatbaar waren voor OSE en we vinden ander empirisch bewijs voor veelvuldig kannibalisme en consumptie van hersenmateriaal in late Neanderthal populaties, dan moeten we mogelijk onze ideeën over het uitsterven heroverwegen”.
Dit artikel is gebaseerd op een artikel van:




